Apraxie

Door hersenletsel kan het voorkomen dat iemand niet goed meer alledaagse handelingen doelgericht kan uitvoeren terwijl een eventuele opdracht wel wordt begrepen. Dit komt niet voort uit verlamming, onhandige coördinatie, neglect, gezichtsuitval of onwil. Deze handelingen konden vóór het hersenletsel,  wel worden uitgevoerd!

 

Dit onvermogen heet apraxie. Zo lukt het niet meer om allerlei gewone en alledaagse handelingen, bijvoorbeeld bij het verzorgen van zichzelf, uit te voeren.

 

Dit kan komen door een stoornis in de planning en volgorde (ideatoire apraxie), maar ook door een stoornis in het hanteren van voorwerpen (ideomotore apraxie). In sommige gevallen kan iemand een complexe handeling wel imiteren direct nadat hij deze gezien heeft, maar kan vervolgens deze niet leer uitvoeren op een later tijdstip. Het nadoen kan dus intact zijn terwijl opdrachten of spontane acties niet kunnen worden uitgevoerd.

 

 

Oorzaak

De meest voorkomende oorzaak van apraxie is een CVA (cerebrovasculair accident), beter bekend onder de term ‘beroerte’ of ‘attaque’. De oorzaak van een CVA is een onderbreking van de bloedvoorziening naar een deel van de hersenen. Deze onderbreking wordt veroorzaakt door een hersenbloeding of een herseninfarct.

 

Een herseninfarct is een afsluiting van een ader door een bloedklonter die ergens in het lichaam (bijvoorbeeld in het hart) ontstaat en uiteindelijk in de hersenen terecht komt (een embolie). De bloedklonter kan ook in het bloedvat zelf ontstaan (een trombose).

 

Een hersenbloeding treedt op wanneer een ader scheurt ten gevolge van een verzwakte plek in de wand.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere mogelijke oorzaken van apraxie zijn bijvoorbeeld een hersentrauma ten gevolge van bijvoorbeeld een ongeval, een hersentumor of een herseninfectie. 

 

 

Apraxietypes - kenmerken

Er bestaan verschillende vormen van apraxie, maar wij bespreken hier kort de verbale –en orale apraxie.

 

Verbale Apraxie:

  • Niet-consequent herhalen, verlengen, vervangen en toevoegen van klanken.

  • De t -klank kan wel geproduceerd worden in het woord ‘tafel’ en niet in ‘thee’. Een tijd later kan het woord ‘tafel’ ook niet meer correct geproduceerd worden. De fouten zijn dus niet-consequent

  • Als meerdere medeklinkers elkaar volgen, worden meer fouten gemaakt (bv. school, trap, fiets)

  • Meer fouten bij langere woorden (bv. vakantiepark) en bij klanken die minder vaak voorkomen.

  • Vaak kunnen woorden of klanken onbewust beter geuit worden dan op vraag. Automatische reeksen zoals tellen, liedjes, dagen van de week, versjes,…zullen daarom vaak beter uitgesproken worden.

  • De spreker is zich bewust van zijn/haar fouten, maar is niet in staat ze te anticiperen of te corrigeren.

  • De persoon moet zoeken om lippen en tong in de juiste positie te brengen om een klank te vormen.

  • Men spreekt soms trager, zonder klemtonen en/of intonatie.

 

Orale Apraxie:

  • Orale apraxie komt vaak samen met verbale apraxie voor.

  • De persoon kan op verzoek geen mond-, tong-, en/of gelaatsbewegingen maken. Men kan op bevel niet fluiten, hoesten, blazen, de tong uitsteken,...

  • Als men bijvoorbeeld aan de persoon met orale apraxie vraagt om te blazen, weet hij/zij niet hoe dit moet. Maar zonder dat men iets vraagt, blaast hij/zij even later zonder problemen een kaars uit.

 

Constructieve Apraxie:

  • Bij deze vorm van apraxie is het ruimtelijke aspect van een handeling verstoord waardoor iemand bijvoorbeeld niet goed kan (na-)tekenen of eenvoudige figuren kan construeren / iets in elkaar kan zetten. 

 

Ideatoire Apraxie:

  • Bij wassen en aankleden hebben wij van jongs af aan een bepaalde volgorde aangeleerd. Bij mensen met ideatoire apraxie, (de verstoorde volgorde hanteren) zie je dat iemand vergeet water in het koffiezetapparaat te doen of het hemd over de jurk heen aantrekt of twee broeken over elkaar heen. De kleren op een stoel leiden tot verbijstering omdat iemand niet weet hoe en waar hij moet beginnen. Een methode om hiermee om te gaan is om de kleding altijd volgens een vaste volgorde klaar te leggen. Als dan aangewezen wordt aan welke kant begonnen moet worden, lukt het vaak nog wel. Het plannen van de opeenvolgende bewegingen is verloren gegaan.

 

 

Behandeling

  • De logopedist observeert en onderzoekt de persoon met apraxie om de aard en omvang van de problemen te bepalen.

  • De persoon met apraxie en zijn familie krijgen informatie over de spraakproblemen.

  • Een optimale communicatie tussen de persoon met apraxie en de familie is een belangrijk doel in de therapie.

  • De logopedist geeft gerichte behandeling. Er kunnen bijvoorbeeld oefeningen gedaan worden om de beweeglijkheid van de spraakorganen (lippen, tong, wangen, verhemelte) te verbeteren, het klanksysteem wordt bevorderd en/of verder uitgebreid,...

  • Eerst moeten gemakkelijke klanken en korte woorden terug aangeleerd worden en dan pas moeilijke klanken en lange woorden.

  • Er moet veel geoefend worden en dezelfde oefeningen moeten frequent herhaald worden.

  • Indien aangewezen zal de logopedist een ondersteunend communicatiemiddel inschakelen. De logopedist leert de persoon met apraxie en de omgeving hoe ze hiermee moeten werken.

  • De logopedist geeft begeleiding bij het aanvaarden van het ‘anders’ communiceren.

  • De logopedist werkt samen met onder andere de arts, ergotherapeut, kinesist, verpleging, maatschappelijk assistent, …

 

 

Tips voor familie en vrienden

Algemeen:

  • Niet het spreken, maar wel de communicatie moet centraal staan!

  • Tracht u aan te passen aan de nieuwe situatie die voor iedereen moeilijk is. Wees tevreden met elke kleine vooruitgang.

  • Toon begrip voor de gevoelens en de moeilijkheden die de persoon momenteel ondervindt. Laat duidelijk merken dat u hem/haar tracht te begrijpen en dat u hem/haar steunt.

  • Breng orde en regelmaat in de omgeving en bezigheden aan zodat de persoon een gevoel van veiligheid en zekerheid krijgt.

  • Neem tijd voor een gesprek. Ga zitten en maak oogcontact.

  • Blijf de persoon behandelen als een volwassene en praat ook niet over zijn/haar hoofd.

  • Spreek niet in de plaats van de persoon.

  • Het kan soms helpen voor de persoon met apraxie als de handeling in deel-handelingen wordt opgesplitst of als handelingen worden vereenvoudigd.

  • Ook helpen concrete aanwijzingen die gegeven worden tijdens het uitvoeren van een handeling. Iemand kan gebaat zijn als alles in de juiste volgorde wordt klaargelegd of als er plaatjes worden gebruikt of pictogrammen in de vorm van een stappenplan.

  • Belangrijk is om geduld te hebben en iemand de tijd te geven. Ook moet men aansluiten bij de opgebouwde (levens-)gewoontes van de persoon met apraxie. 

 

 

Tips die het begrijpen bevorderen:

  • Wees eerlijk en zeg het openlijk als u de boodschap niet begrepen heeft. Vraag om herhaling.

  • Zeg aan de persoon wat u denkt te hebben verstaan. Controleer of dit klopt.

  • Creëer een rustige omgeving tijdens een gesprek. Zet bijvoorbeeld de radio of televisie uit.

  • Als u de boodschap niet heeft begrepen, stel dan ja/neen-vragen, vraag aan de persoon om de boodschap op te schrijven, een gebaar te maken (dit zal vaak ook moeilijk zijn), te wijzen, traag te praten, …

 

 

Tips die het spreken stimuleren:

  • Geef hem/haar voldoende tijd om te antwoorden.

  • Houd rekening met vermoeidheid. Als de persoon moe is zal het praten moeilijker zijn.

  • Herhaal het gedeelte van de boodschap dat u wel begrepen heeft, zodat de spreker niet de gehele boodschap moet herhalen.

  • Indien aangewezen zal de logopedist, al dan niet tijdelijk, een ondersteunend communicatiemiddel, zoals een letterkaart introduceren.

 

 

Wenst u nog meer informatie?

www.neurocom.be

www.hersenstichting.nl